Deze website is niet meer actief. Verhuis mee naar ZONE21.nl

De eenheidsmedia achter de Berlijnse Muur

Hoe de Oost-Duitse media de socialistische heilstaat moesten verkopen

In de Deutsche Demokratische Republik kon je alles zeggen wat je wilde, als je het maar niet per ongeluk tegen de verkeerde zei. De DDR-media gaven aan welke speelruimte je vrije meningsuiting in het publieke domein had. Kranten, radio en televisie vormden het cement in de Berlijnse Muur. Ook de gedachten van de burgers moesten binnen de grenzen van het Politburo blijven.

Restanten Berlijnse Muur (foto: EZAZ)

Tussen amusement en vormingsdrang

In het spanningsveld tussen de door de staatsmacht opgelegde taak van ‘socialistische bewustzijnsvorming’ en de wensen van de luisteraars op het gebied van amusement, informatie en educatie, leidde de radio in de DDR een moeilijk bestaan. De medewerkers van de omroepen probeerden aan de eisen van “beide kanten” te voldoen.

Veel DDR-burgers waardeerden de hoge kwaliteit van bepaalde programma’s maar gniffelden over de voortdurende vormingsdrang en politieke propaganda. Stations zoals ‘Radio DDR II’, de hoofdstedelijke zender “Berliner Rundfunk” of de legendarische ‘Jugendradio DT 64’ hadden een groot vast publiek en vormden vaste referentiepunten in het leven van de luisteraars.

Voormalige studio-complex DDR Radio in Berlijn (foto: EZAZ)

Eenheid in verscheidenheid

De radio in de DDR zond uit met vijf grote stations: Radio DDR I bood nieuws- en amusementsprogramma’s, waaraan regionale programma’s waren verbonden. Radio DDR II, ontstaan in 1964, zond voornamelijk culturele en educatieve programma’s uit, en de ‘Stem van de DDR’, ontstaan uit de fusie van de op West-Berlijn en de Bondsrepubliek gerichte stations ‘Berliner Welle’ en ‘Deutschlandsender’ in 1971, richtte zich op Duitstalige luisteraars buiten de grenzen van de DDR en was samen met ‘Radio Berlin International’, dat in vele talen werd uitgezonden, de spreekbuis van de DDR naar de buitenwereld.

‘DT 64′ was de zender die de jeugd in de DDR aan zich moest binden, naar het voorbeeld van westerse radiostations. Hun programma’s moesten voorkomen dat de jonge luisteraars naar stations in het kapitalistische buitenland zouden gaan luisteren. DT64 kreeg daarom ook wat meer speelruimte in de programmering.

Je kon spreken van een volledige dekking voor de radio vanaf het midden van de jaren zestig. Halverwege de jaren tachtig had een gemiddeld DDR-huishouden twee tot drie toestellen. Dit verklaart waarom de radio ook aangetroffen kon worden op het strand en tijdens het kamperen, en waarom hij bij wijze van spreken overal in huizen te vinden was.

De krant was het belangrijkste medium

Ondanks het ruime, maar politiek geüniformeerde, radio-aanbod en de opkomst van de televisie in de 1960-er jaren, was de DDR toch voornamelijk een krantenland. Aan het eind van de jaren 1980 werden er bijna 600 exemplaren verkocht per 1.000 inwoners. Alleen Japan en Noorwegen hebben in de geschiedenis zulke hoge cijfers gehaald.
In het laatste decennium van het bestaan van de DDR waren er anderhalve krant per huishouden, en drie van de vier huishoudens waren geabonneerd op een SED-districtskrant. De SED stond voor ‘Sozialistische Einheitspartei Deutschlands’ waar de eenheid van politiek werd gewaarborgd.

Zelfs abonnees met drie kranten waren niet ongewoon: naast de lokale krant, de Neues Deutschland (bestaat nog steeds) en voor de kinderen de Junge Welt, het orgaan van de Vrije Duitse Jeugd (FDJ). Dik waren de kranten overigen niet. Een krant telde gemiddeld niet meer dan zes tot tien pagina’s per dag per krant, zelfs in het laatste decennium van de DDR.

De sturing van de media

De sturing van de DDR-media strekte zich uit tot de reclameafdeling en omvatte coördinatie met de ‘verantwoordelijke bureaus’. Bij twijfel besliste de afdeling in het Centraal Comité van de SED. Er waren vaak controles vooraf.

Er waren drie patronen in de eisen die aan de media-redacties werden gesteld.
Ten eerste moest het ‘politiek geënsceneerde publiek’ de voordelen van de socialistische maatschappij en de crisis van de kapitalistische maatschappij benadrukken volgens het ‘vriend-vijand’-schema.
Ten tweede moest het de huidige belangen van de machthebbers ondersteunen.
Volgens de laatste eis mocht het ‘de tegenstander’ geen doelwit bieden of iets verraden dat het Westen voor zijn eigen belangen zou kunnen gebruiken. Iedereen met kritiek op de DDR zoals het kapitalistische West-Duitsland werd ook wel ‘Klassenfeind’ genoemd. Ofschoon de termen toen nog niet werden gebruikt, waren dit vroege vormen van naming and shaming. In Nederland kennen wij ook een dergelijke kwalificatie van staatswege: de ‘anti-overheidsextremist’.

Mediale fictie vs. de realiteit

De media moesten ervoor zorgen dat mensen zich goed voelden in de DDR, zodat ze in het land zouden blijven en beter zouden presteren. Wie hieraan voldeed, werd geprezen door de mediaopzichters. Een dergelijk fenomeen kende Nederland ook tijdens de Covid-periode: ‘BN-ers’ en omroepen konden (extra) geld tegemoet zien bij het brengen van de voorgeschreven boodschap.

Men werd ook geprezen als men kritiek had op de wapenpolitiek van de VS of als men een onderscheid maakte tussen de vredespolitiek van het Oosten en de oorlogspolitiek van het Westen. Dit communicatiepatroon, dat bedoeld was om de fictie van de superioriteit van het socialisme onder de aandacht van het publiek te brengen, was vooral gericht op de eigen bevolking en was voor de redacties relatief eenvoudig uit te voeren, vooral omdat hier begunstigden en aanhangers van het systeem werkten. Of de mediaficties overeenkwamen met de ervaringen van het publiek of met wat er in andere publieke arena’s werd gesteld, was irrelevant.

Overeenkomsten met het heden zijn toeval

Velen zullen nog niet inzien hoe nauw de DDR-praktijk van overheidssturing van de media de huidige situatie in Westerse ‘democratieën’ benadert. Een paar punten van overeenkomst.

  • Ook de Nederlandse televisie kent speciale netten en programma’s gericht op (jonge) kinderen. Die zijn niet louter gericht op vermaak, maar op vorming volgens door de overheid voorgeschreven normen van onder meer ‘inclusivieit, schuld- en klimaatbewust, genderpromotie’;
  • De Nederlands kranten spreken op centrale thema’s ook met één stem; er vindt een informele afstemming plaats tussen overheid en hoofdredacteuren (zie ook de WOO-verzoeken van Daniël van der Tuin op Substack); hetzelfde geldt voor radio en televisie;
  • Waar de DDR-media het ‘kapitalistische Westen’ in diskrediet moesten brengen, moeten de Westerse media voortdurend Rusland en en haar president in een kwaad daglicht stellen;
  • In de strijd tussen ‘goed en kwaad’ is het Westen altijd ‘de goede’, Rusland en China (of andere landen zo het uitkomt) ‘de slechte’ (naar Amerikaans zwartwit-model van good vs. bad);
  • Waar in de DDR-media de socialistische heilstaat superieur was ten opzichte van het Westen, vinden de Westerse media vooral de eigen westerse Amerikaans-Europese wereld superieur aan de rest van de wereld;
  • Het ging in de DDR en nu in het Westen niet om de realiteit maar de perceptie van de realiteit, door 24/7 herhaling van boodschappen;
  • Wat in de DDR ‘Klassenfeind’ werd genoemd heeft in het Westen haar pedanten: ‘wappie’, anti-overheidsextremist’, ‘complotdenker’. In elk geval mensen waarmee je niet in gesprek hoeft en die een risico worden geacht voor de samenleving.

Als u vindt dat het allemaal meevalt, dan blijven de gelijkenissen. De conclusie moet dan luiden dat het in de DDR ook wel meeviel. Al had je daar natuurlijk de STASI, de staatsveiligheidsdienst die dissidenten bespioneerden en het leven zuur maakten.

Hoe ver staan onze veiligheidsdiensten AIVD en NCTV hier nog vanaf?

https://youtu.be/wycED6k_mek

Meer op:

Rundfunk der DDR

image_pdfDownload